Skip to content

Ana Karadarevic

Freelance journalist

Iedereen waarschuwde me van te voren. Het zou er gevaarlijk zijn voor ons soort mensen, zeiden ze, ik kon er misschien maar beter niet naartoe gaan. Wie weet wat me zou overkomen… Waarom wilde ik überhaupt naar Kosovo?, vroegen ze me.

Met twee vriendinnen reisde ik gedurende 1,5 week door enkele Balkanlanden. Na enkele dagen in feeststad Belgrado te hebben doorgebracht, besloten we door te gaan naar Pristina, hoofdstad van Kosovo, een voormalige Servische provincie die zich in 2008 afscheidde. De onafhankelijkheid werd uitgeroepen negen jaar na de oorlog tussen Kosovo en Servië, die eindigde nadat de NAVO luchtaanvallen uitvoerde op allerlei strategische doelen in Servië in 1999.

Servië erkent de onafhankelijkheid van Kosovo niet en houdt vol dat het ‘gewoon’ een onderdeel is van Servië. De situatie is het meest gespannen in Mitrovica, in het noorden van ministaat Kosovo, waar duizenden buitenlandse militairen zijn gelegerd om te voorkomen dat de Serviërs en Albanezen elkaar in de haren vliegen. De taal van de tegenpartij spreken kan daar al gevaarlijk zijn.

Ik ging naar Pristina en sprak met de reisgenoten af dat ik Engels zou spreken. Gewoon, voor de zekerheid. Ik spreek Servisch, omdat mijn ouders ervandaan komen, maar Engels zou gedurende twee dagen mijn taal zijn. Dat ging goed tot de tweede dag in Kosovo. Mijn reisgenoten en ik wilden ‘iets cultureels’ doen en stapten in een taxi om naar Gracanica te gaan, waar een Servisch-orthodoxe kerk uit de veertiende eeuw staat. Toen ik ‘Gracanica’ uitsprak, vroeg de taxichauffeur met grote ogen: ‘Spreek je Servisch?’ Toen ik schoorvoetend toegaf dat dit zo is, barstte hij los.

De taxichauffeur veegde de zorgen die Serviërs me hadden geprobeerd aan te praten weg. Hij zei blij te zijn dat hij ‘eindelijk’ weer eens Servisch kon spreken. De man bleek een onvervalste Joegoslavië-nostalgicus die terugverlangde naar de tijd waarin maarschalk Tito de scepter zwaaide en de verschillende volkeren gebroederlijk met elkaar omgingen. De taxichauffeur zei het jammer te vinden dat hij niet meer vrij kon reizen – Kosovo-Albanezen komen maar moeilijk aan visa omdat het land door weinig andere staten wordt erkend.

In de resterende uren in Pristina ontmoette ik meer Kosovo-Albanezen die het leuk vonden om met iemand uit Servië te praten. Een jonge basketballer uit Pec vertelde me over oorlogsmisdaden van Serviërs tegen Albanezen eind jaren negentig. Op mijn vraag of hij het niet raar vond om in een kroeg te praten met een vrouw met een Servische achtergrond, antwoordde hij: ‘Ik heb geen moeite met Serviërs, ik heb het alleen niet zo op nationalistische Serviërs.’

Enkele dagen later was ik in Skopje, de hoofdstad van Macedonië. Men begreep niet waarom ik in Kosovo was geweest en een enkeling vond het zelfs bijzonder dat ik het land levend had verlaten.

Op deze reis heb ik leuke, interessante, gastvrije, grappige mensen ontmoet – in alle drie landen waar ik ben geweest, die helemaal niet zo veel van elkaar verschillen als ze zelf denken.

Toen Tito overleed op 4 mei 1980 lag ik in een wieg in een flatwoning in de Rotterdamse wijk Spangen. Toch voel ik na deze reis een beetje Joego-nostalgie, net als de taxichauffeur in Pristina.

Post to Twitter Post to Facebook Post to Google Buzz Post to LinkedIn